St-Gilles-du-Gard
 
Zeven uur. Wakker met pijn in hoofd en nek. Ik steek mijn hoofd uit het raam. Het heeft geregend. Het plaveisel van de Boulevard Victor Hugo is nat. Buiten is het fris - in mijn kamer is het warm en benauwd. Tijdens de expeditie naar het toilet, ergens achter in het gebouw, kijk ik toevallig bij de hotelfamilie naar binnen. Ze slapen in een tussenkamer, zonder ramen. Onvoorstelbaar.
Ik doe rek- en strekoefeningen, neem een douche (ook achter in het gebouw) en ga beneden kijken of ze al iets te eten hebben.

Markt in Tarascon. Groente, fruit en vis. Uitbundig gepresenteerd. Andermaal passeer ik de brug over de Rhône en stap in Beaucaire een café aan de haven binnen. Het hotelontbijt bevatte slechts één kop thee. Te weinig om op te lopen. Alle pijntjes zijn ondertussen verdwenen. Frisse lucht - dat was het wat ik nodig had.
 
Even buiten Beaucaire begint een chemin de halage. Een goed onderhouden pad langs het kaarsrechte Canal du Rhône à Sète. Hier en daar ligt een plezierjacht afgemeerd, waaronder de bekende platte motorbootjes. In Beaucaire kun je ze huren. Nu begint de Camargue, het moeras- en watergebied bij de monding van de Rhône. De streek van witte paarden, roze flamingo's, zwarte stieren en stekende muggen. Zo vlak als hier zie je het zelden in Frankrijk. Het heeft warempel iets van Nederland. Half tien. Tai Ji in de beginnende zonneschijn.

Na enkele maanden lopen ga je anders over afstanden denken. Alles is te belopen. Afstanden op de kaart vertaal je onbewust in uren lopen. Net als vroeger, toen er geen kilometers op de kaart werden aangegeven, maar 'uren gaans'. Je kijkt op de kaart, ziet het volgende dorp liggen en denkt: dat is twee uur lopen.
Verder lijkt het of afstanden krimpen. Alles went - ook lange afstanden. Tien kilometer langs een kanaal - dat is een heel eind als je vandaag met wandelen begint. Na vier maanden lopen stelt de afstand niets voor. Je bent er onverwacht snel. De tijd vliegt en afstanden krimpen.
 
 
Een sluis bij een brug. Sluizen liggen vaak bij een brug. Handig voor de sluiswachter en zijn verbinding met de buitenwereld. Een dragline is bezig naast het jaagpad een weg aan te leggen. De machinist stopt met draaien als hij mij ziet aankomen. Ik vraag hem of het jaagpad tot aan Bellegarde doorloopt - het paadje wordt namelijk verdacht smal. De man tilt z'n oorbeschermers van het hoofd, schakelt de motor uit en ik herhaal mijn vraag.
- Mais oui. Oui!
Het viaduct bij Bellegarde komt in zicht. Het is broeierig. De muggen kennen geen enkele aarzeling. Ze vallen aan en steken. Toen men in de jaren zestig de Camargue begon te 'ontsluiten' voor de toeristen, stond démoustification hoog op de agenda. Maar ondertussen is de muggenpopulatie er weer aardig bovenop gekrabbeld.
Bellegarde ligt twee kilometer landinwaarts. In het haventje liggen vijf schepen te blakeren in de zon. Jongens met brommers scholen samen aan de waterkant.
- Time?... vraagt een jongen en wijst op zijn pols. Hij weet zeker dat ik geen Fransman ben.
- C'est midi.
Etenstijd dus. Ik klauter het viaduct op van de N113 (Nîmes- Arles) en zie dichtbij een wegrestaurant. Het bespaart een bezoek aan Bellegarde, al weet je nooit wat je mist. Het is een wegrestaurant-hotel-pompstation-winkel. Een verzameling vale gebouwen langs een snelweg, waar de mistral vrij spel heeft. Dit is een andere wereld. De jachtige wereld van auto's, camions, caravans en drukke Fransozen. Het is geen gezellige wereld.
Op de bar staan schalen met Vienneroiserie: croissants en andere broodjes. Ik zoek wat eetbaars uit en drink voor de glazen melk een verlate kop koffie. Een uur later daal ik weer af in de stille wereld van het kanaal door de moerassen en vervolg mijn weg over het jaagpad naar St-Gilles-du-Gard.
  In de verte begint het te rommelen. Echo's tussen de bergen - alsof er iemand op de bovenverdieping zwaar meubilair aan het verplaatsen is. De bui komt dichterbij en ik kijk op de kaart naar schuilmogelijkheden. Het viaduct van de autoroute is de eerste. Dan twee kilometer naar de volgende brug. Een paar slagen heel dichtbij. Dit loopt niet lekker. Voor onweer heb ik alle respect. Ik zoek de D38 op. Daar heb je meer mogelijkheden om te schuilen als het menens wordt.
Ik loop tussen twee onweersbuien in. Voor me, boven St-Gilles, hangt er ook eentje. Maar ik heb geluk en na twee korte pauzes aan de wegkant bereik ik geheel droog een vochtig St-Gilles-du-Gard. Ik kijk op m'n klokje. Drie uur.

Een dame zit gaar te stomen in een kiosk aan de Port de Plaisance. Een steunpunt van het plaatselijke Office du Tourisme, speciaal voor de watersporters. Overdreven. Weliswaar liggen in de jachthaven de scheepjes zij aan zij, maar de opvarenden hebben niet voortdurend informatie nodig. Van haar krijg ik een lijstje met de plaatselijke hotels. Wat weet ze nog meer?
- Le chemin de halage continue jusqu'à Aigues-Mortes?
- Oui, mais on ne peut pas se promener par là.
- Pourquoi pas?
- C'est dangereux. Il y a des taureaux.
- Sur le chemin de halage?
- Aussi sur le chemin de halage.

Interessant. Stieren op het jaagpad. Volgens de dame laten de eigenaren de beesten los rondlopen en dan kunnen ze ook het jaagpad opwandelen. Ze raadt me het traject sterk af.
- Vous aimez les taureaux?... vraagt ze als ik er iets te luchthartig over doe.
- Pas tellement.
Klein probleempje. Er lopen niet veel wegen in de Camargue en de wegen die er lopen, gaan de verkeerde kant op. Alleen het kanaal voert rechtstreeks naar Aigues-Mortes - mijn bestemming voor morgen. Meestal is de autoweg de kortste weg, maar niet in de Camargue. Over de autoweg is het 36 kilometer, langs het kanaal 26.
  Vanavond wil ik in een echt hotel slapen. Mijn oog valt op een Logis de France: Hôtel Le Cours aan de Avenue F. Griffeuille - een rustige straat met bomen. Kamers vanaf 170 franc. Monsieur Peyrol zit in de receptie. Een sympathieke man van een jaar of veertig. Hij neemt me op van top tot teen.
- Santiago de Compostela?
- Ah non. Montpellier.

Hoewel hij mijn rugzak ziet, vraagt hij:
- À bicyclette?
- À pied.

Fransen denken altijd het eerst aan een fiets. St-Gilles ligt op een van de wegen naar Santiago - op de aanlooproute vanuit Arles. De hôtelier vertelt dat hij het hele jaar door pelgrims herbergt.
 
 
 
Romeinse weg Nîmes-Arles
Naast de weg over Beaucaire geeft een oude Romeinse kaart (de Itinerarium Antoninianum) ook een rechtstreekse verbinding tussen Nîmes en Arles.
Twee wegen waren er: over Bellegarde en over St-Gilles.
St-Gilles-du-Gard is oud. Heel oud zelfs. Sporen van prehistorische bewoning. St-Gilles ligt op de grens van de Camargue en het Plateau de la Costière. St-Gilles had al een haven voordat het Canal werd gegraven. De Petit Rhône stroomt namelijk op drie kilometer van het stadje. Het oude centrum ligt op een heuvel en er leiden kronkelige straatjes naar toe. Aan een plein staat een oude kerk. Ik loop naar binnen en ga op een kerkbank zitten. Het is er koel. Een vrouw speelt orgel en een andere vrouw begint te zingen. Repetitie. Achter de kerk liggen de ruïnes van een Romeinse tempel.
 
Stieregevechten
Het getreiter van stieren is een overblijfsel uit de Romeinse tijd. De Romeinen brachten de jacht op dieren in hun amfitheaters - vaak compleet met een nagebootst jachtgebied met bomen een struiken.
Leeuwen, beren, luipaarden, stieren, krokodillen - uit alle streken van het keizerrijk werden de dieren aangesleept. Soms kregen ze als galgenmaal eerst een paar ongewapende gevangenen opgediend.
In Spanje en Zuid-Frankrijk houden ze de Romeinse traditie in ere.
St-Gilles is geen gezellige stad. Een agressief, macho-sfeertje. Jongemannen die graag met stieren stoeien, tussen de voorstellingen pils drinken en met hun brommers lawaai maken. Waar zouden ze met hun agressie heen moeten als ze geen stieren hadden? Deze lui hebben zoveel agressie - ze moeten wel stieren houden. Zonder die stieren zouden ze hun messen in voorbijgangers steken.
Oudere mannen lopen er bij als ranch-eigenaar. Snorretje, hoed op en cowboy kledij. Bij voorkeur verplaatsen ze zich in landrovers.
En de vrouwen? Ik zie veel vroegoude vrouwen en ook enkele oogverblindende schoonheden. 'Zo mooi hoeft het nu ook weer niet', ben je geneigd tegen het opperwezen te zeggen.
Een jongedame stapt uit een Mercedes-coupé, smijt het portier dicht, schreeuwt 'Merde!' en stevent op hoge hakken weg. Einde relatie. Man incasseert scheldkannonnade met uitgestreken gezicht, blijft nog even zitten, steekt peinzend een sigaret op, start de motor en scheurt weg.
En dan heb je in St-Gilles nog het type toeristen dat op stieregevechten af komt...
  Wie is Saint Gilles? Geloof het of niet, maar Saint Gilles is de beschermheilige van het wild. Ik weet niet of stieren daaronder vallen. Saint Gilles werd in de 7e eeuw in Athene geboren als Aegidius. Hij leefde als kluizenaar in de bossen bij Nîmes en bevond zich steevast in gezelschap van een hert waarvan hij zijn dagelijkse portie melk betrok. Saint Gilles was een melkdrinker.
De Westgotische koning Womba hield van de jacht. Op zekere dag kreeg hij het hert van Saint Gilles in het vizier. Hij legde aan en schoot. Maar het hert had zich achter zijn meester verstopt, zodat deze door de pijl werd getroffen. Een pijnlijk incident. Als compensatie voor het ongerief mocht de kluizenaar van koning Womba een klooster stichten. Het werd een klooster van de Orde der Benedictijnen. Saint Gilles stierf er in 725.
De jagers hebben hun patroon gevonden in Saint Hubert. De gejaagden, het wild, worden beschermd door Saint Gilles.
  Het klooster heeft op de plek van de huidige kerk gestaan. Misschien hebben ze de Romeinse tempel afgebroken om aan stenen te komen. In de Middeleeuwen werden veel Romeinse bouwwerken voor dit doel afgebroken. Ook van de beroemde Pont du Gard, het Romeinse aquaduct over de Gard, hebben monniken stukjes afgeknabbeld voor de bouw van hun kerk. Gelukkig niet alles. Alleen voor zover ze de Pont op durfden.
  St-Gilles-du-Gard werd een bedevaartsoord. De crypte van Saint Gilles is alles wat er van het oude Benedictijnse klooster is overgebleven. De crypte ligt onder de kerk.
In de elfde eeuw kwam er een nieuw klooster dat zich aansloot bij Cluny. Het altaar werd door paus Urbanus II gewijd toen hij hier in 1096 langs kwam om reclame te maken voor de eerste kruistocht. De manschappen die hij in deze streek bijeen wist te praten, vertrokken vanuit St-Gilles naar het Heilige Land.
  Als ik terugkom bij Hôtel Le Cours zit het terras vol bejaarden, vooral oudere dames. Ze spelen scrabble en kaart om de tijd te doden tot het avondmaal. Heel beleefd zijn ze, in het onderlinge verkeer.
Later zingen ze liedjes bij het eten. De hôtelier geeft me een knipoog. Hij vindt alles best. Bejaarden gaan weer op kinderen lijken. Zo'n bejaardenuitje lijkt verdacht veel op een schoolreisje. Ze doen spelletjes en zingen liedjes.

Vroeg naar bed. Morgen moet ik fit zijn, mocht ik stieren tegenkomen.