Parijs - 5e dag
 
Kan in Delhy's Hôtel blijven, zij het in een duurdere kamer (260 franc). Ik heb het er graag voor over. Delhy's Hôtel is een oase van rust in hartje centrum. Ik heb voor twee nachten bijgetekend. Als ik hier niet had kunnen blijven, was ik vandaag Parijs weer uitgelopen. De receptioniste probeert me duidelijk te maken dat ik de nieuwe kamer pas om twaalf uur kan betrekken. Dat had ik al begrepen.
- Alors. Même routine comme hier.
- Voilà.

Mijn rugzak kan ik onder haar supervisie achterlaten. Een aardige Française - een echte regeldame. Niet efficiënt, maar wel vol overtuiging. Ze weet precies wat ze wil, maar niet dat het onzin is.

Petit déjeuner in het hotel. Het ontbijt wordt verzorgd door de schoonmaakster - een negerin. Ze voldoet aan het klassieke beeld van de Amerikaanse dienstbode. Dik, traag, zingt, klaagt en is niet vlot van begrip. Bij het ontbijt wil ze twee dingen van je weten en ze stelt haar vragen heel dreigend. Haar hoofd nadert je oor tot op tien centimeter en dan brult ze:
- Le numéro de votre chambre?
- Dix-huit.
- Et vous voulez quoi?
- Du thé.
- D'accord.

Ze weet genoeg. Ze sloft naar de keuken en kreunt en steunt het zaakje bij elkaar. Daarna is het volgende tafeltje aan de beurt:
- Le numéro de votre chambre?
 
 
 
 
 
 

- Wat doe je met de fooien?
- Die verdelen we onder elkaar.


 
- Dat doen we bij ons ook.
- Omdat ik weet hoe hard je moet werken.
Naar Parijse maatstaven loop ik er armetierig bij. Tijd voor een nieuw T-shirt. Ik kan alleen geen goedkoop exemplaar vinden. Het is ook tijd voor de kapper, maar ook daar schrikken de prijzen mij af. Ik weiger om f 40,- voor een knipbeurt te betalen. Dus neem ik gewoon een petit café aan de bar. Een aangeschoten Amerikaan knoopt een gesprek aan met een ober. Bij elke pression legt hij tien franc fooi.
- What do you do with the tip-money? wil hij weten.
- We divide it between all of us... zegt de garçon in zijn beste Engels. Hij begint zich enigszins opgelaten te voelen door deze generositeit.
- So do we, back home... zegt de Amerikaan en legt er nog een extra tien-francstuk bij.
- Because I know how hard you have to work... licht hij toe.
Zelf is hij ook barkeeper. Bij de volgende bestelling betaalt hij met honderd franc en dan komen er weer allemaal tien-francstukken terug. Ik wacht zijn faillissement niet af. Ik betaal met tien franc en al het wisselgeld (3.5 franc) verdwijnt in mijn eigen portemonnaie. In dit café hebben ze vandaag over fooien niet te klagen.
 



1 Cardo: Rue St-Jacques, Rue du Petit Pont, Rue St-Martin
2 Decumanus: Rue Cujas
3 Rue de la Montagne Ste-Geneviève
4 Rue du Mouffetard
5 Rue Lhomond
6 Boulevard St-Michel
7 Boulevard St-Germain
8 Rue des Écoles
9 Aquaduct
De Romeinen zijn al een paar keer ter sprake gekomen. Maar wat is er in hedendaags Parijs nu feitelijk nog terug te vinden van het oude Lutetia? Tijd voor een inventarisatie...

Vanuit Île de la Cité legden de Romeinen een weg aan naar het zuiden - naar Orléans (Cenabum). Rue du Petit Pont en Rue Saint-Jacques volgen het spoor van deze oude weg. Het zijn de oudste straten van Parijs.
Het eiland van de Parisi was via een primitieve houten brug met beide oevers verbonden. De bruggen werden door de Romeinen vervangen door steviger exemplaren - eveneens van hout.
Op de zuidelijke Seine-oever legden de Romeinen een stad aan volgens het bekende dambordpatroon. Rue St-Jacques was de Cardo in noordzuid richting en de huidige Rue Cujas was de Decumanus die er loodrecht opstond. Rue Cujas loopt in oostelijke richting naar de Mont Ste-Geneviève. Daar stond een Romeinse tempel. Bij het kruispunt van beide hoofdwegen verwacht je een forum en inderdaad is op die plek het Romeinse Forum teruggevonden: onder Rue Soufflot - de brede straat die naar het Panthéon leidt.
Het verlengde van Rue Cujas is Rue Clovis en als je die zou doortrekken, dan kom je uit bij het Romeinse amfitheater: les arènes de Lutèce. Het werd in 1869 ontdekt bij aanleg van de Rue Monge en is nu opgenomen in een parkje. Ten tijde van de opgraving lag het zo'n twintig meter onder de grond. In 280 werd Lutetia door Barbaren verwoest. Daarna hebben de inwoners de stenen van het amfitheater gebruikt bij de bouw van een verdedigingsmuur rond hun eiland in de Seine. Er stond ook nog een klein theater (4500 zitplaatsen) hoek Boulevard St-Michel en Rue Racine.
Op de plek waar nu Hôtel de Cluny staat, bevond zich een openbaar badhuis (Thermen). De Barbaren hebben ook hier huisgehouden zodat er weinig van over is. In de 15e eeuw kocht de abt van Cluny de ruïnes op. Hij liet er een hotel bouwen waarin priesters die de stad aandeden logeerden. Later werd het de overnachtingsplaats voor pelgrims op weg naar Santiago de Compostela. Dat verklaart ook de naam Rue St-Jacques. De bedevaart gaat immers naar het graf van de apostel Jacobus (Jacques) in Santiago. In het verlengde van de Rue St-Jacques, op de rechter Seine oever staat ook nog de Tour St-Jacques.
  Hôtel de Cluny bestaat nog steeds. Er is een museum in ondergebracht en in dat museum ligt het oude Frigidarium - het koudwaterbad van de Thermen. Het water voor de Thermen werd aangevoerd via een twaalf kilometer lang aquaduct. Het water kwam uit bronnen bij Rungis, even ten noorden van vliegveld Orly.
Lutetia bezat nog twee andere badhuizen. De oudste lag dichtbij het forum onder het oostelijk deel van Jardin du Luxembourg, de andere hoek Rue St-Jacques en Rue des Écoles.
  Ook op de hoek van Bd-St-Michel en Bd-St-Germain liggen nog wat brokstukken van gebouwen uit de Romeinse tijd. Genoemde boulevards stammen overigens niet uit de Romeinse periode, al passen ze goed in het dambordpatroon. Ze werden in de 19e eeuw aangelegd door Haussmann. Hij was wel de eerste na de Romeinen die de wegaanleg in Parijs weer eens systematisch aanpakte. Baron George Eugène Haussmann (1809-1891) was prefect van Parijs. Hij saneerde oude wijken (veel bewoners die uit de binnenstad werden verdreven zochten hun toevlucht op Montmartre) en legde brede boulevards en avenues aan waarlangs leger en politie in geval van oproer gemakkelijk konden oprukken. Haussmann legde ook pleinen en parken aan, zoals bijvoorbeeld Place du Parvis - het kerkplein voor de Notre-Dame. Voor die tijd was het plein helemaal volgebouwd.
  Terug naar de Romeinse tijd. Rue du Mouffetard was ook een uitvalsweg naar het zuiden. Ik neem aan dat het gaat om de weg naar Corbeil (Corobilium) dat nu aan Parijs vastzit.
Keizer Julianus (331-363) schijnt de eerste te zijn geweest die de strategische waarde van Lutetia inzag. Hij werd in 355 door Keizer Constantius belast met de verdediging van Gallië tegen oprukkende Germaanse stammen. De strijd ging tegen de Alamannen en de Franken. Julianus had geen enkele militaire ervaring, maar boekte louter successen. Als voorbereiding op zijn nieuwe loopbaan las hij De Gallische Oorlog van Julius Caesar.
Van 357-359 was Lutetia de thuisbasis voor Julianus en zijn leger. Evenals Caesar trok hij alleen 's zomers ten strijde. Zijn hoofdkwartier lag niet op de linkeroever, maar op Île de la Cité, vermoedelijk op de plek waar nu het Palais de Justice staat. Interessant is zijn volgende impressie van de stad:
Robert Latouche. Caesar to Charlemagne - the beginnings of France, Dent & Sons, 1968.
 

Julianus
In 360 werd Julianus in Lutetia tegen wil en dank door zijn soldaten tot keizer uitgeroepen. Juist op het moment dat het tot een treffen zou komen tussen Romeinse legereenheden, stierf Keizer Constantius.
Julianus werd keizer, heel kort - van 361-363. De man was christelijk opgevoed, maar hing zelf de oude goden aan. Van hem zijn redevoeringen, brieven en gedichten bewaard gebleven.
 

Stadium
Griekse lengtemaat. Ongeveer 185 meter.
Ik was in mijn winterhoofdkwartier in mijn geliefde Lutetia - want zo noemen de Kelten de hoofdstad van de Parisi. Het is een klein eiland in de rivier, rondom omgeven door een muur. Houten bruggen verbinden het aan beide zijden met de oever. De rivier heeft slechts een gering verschil in peil; gewoonlijk is de diepte in zomer en winter gelijk. Het water is heel helder om te zien en bijzonder lekker om te drinken. Want omdat de bewoners op een eiland leven, betrekken zij hun water voornamelijk uit de rivier.
De winters zijn vrij zacht, misschien door de warmte van de oceaan die niet meer dan negenhonderd stadia verwijderd is en het kan zijn dat een licht briesje van het zeewater daarheen waait; want zeewater schijnt warmer te zijn zoet water. Om deze reden of om een andere die ik niet ken, feit is zoals ik zei, dat zij die in deze plaats wonen een warmere winter hebben. En er groeit ook een goede soort druiven, en sommigen hebben zelfs kans gezien om vijgebomen te laten groeien door ze 's winters af te dekken met een soort kleed van tarwestro en dergelijke, zoals dat gebruikt wordt om bomen te beschermen tegen de schade die ze oplopen door de koude lucht.
-Caesar to Charlemagne
Robert Latouche

Parijs lag in de provincie Lugdunensis, genoemd naar de hoofdstad Lugdunum (Lyon). Zoals gezegd - Parijs stelde in die tijd niet veel voor. Toen Julianus er bivakkeerde was het vermoedelijk, zoals veel plaatsen in Noord-Gallië, terwille van de verdediging teruggebracht tot een Castellum.
 
Klassieke vaardigheden
Luit spelen, schaken, schrijven, schilderen en zwaardvechten - dat waren de klassieke vaardigheden en er bestaat een verhaal over een jongeman die stad en land verliet om een lange zwerftocht te maken op zoek naar meesters die hem op deze vijf gebieden zouden kunnen onderrichten.
In Jardin du Luxembourg zou hij het park niet hoeven te verlaten.
Jardin du Luxembourg is niet het paradijs, maar vermoedelijk heeft het er vroeger naast gelegen. Aan het eind van de middag ga ik er heen om naar het dammen te kijken. Ik zie Mostovoy in actie. In zijn jonge jaren behoorde hij tot de Franse damtop en de laatste keer dat ik hem zag was tijdens het Suikertoernooi in 1975 - Krasnapolski Amsterdam. Hij is erg veranderd en het is dat enkele dammers mij op hem attent maakten, anders had ik hem nooit herkend. Mostovoy heeft een buikje gekregen, draagt een baard en rookt sigaren. Hij speelt met klok en de omstanders weten dat hij geen commentaar duldt. Rond zijn bord staan alleen Fransen die hun mond kunnen houden.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 


Lokzet
Tenter de faute zeggen de Fransen - het uitlokken van een fout. Of nog mooier: Tel est pris qui croyait prendre!
Elke middag is hier ook een oud baasje te vinden. Een fragiel mannetje, maar hij doet wel allemaal ijzersterke zetten. Tijdens zijn partijen rookt hij een pijpje dat hij tussen de zetten door stopt. Alles op de tast. Zijn blik dwaalt geen moment van het bord. De zak pijptabak probeert hij ergens links tegen zijn heup kwijt te raken op de plek waar hij een broekzak vermoedt. Als zijn linkerhand de zak gevonden heeft duwt hij de tabak er een eindje in, maar niet ver genoeg en de tabak valt steevast op de grond. Vandaag damt hij tegen een Afrikaan, die mij na afloop van de partij vertelt dat hij van de ouwe baas dammen heeft geleerd - in dit park. Voor die tijd schaakte hij.
Op zijn verzoek laat de oude man mij een lokzet zien waarmee hij in 1957 een tegenstander verschalkte. Het leverde hem ergens een eerste prijs op. Hij zet de stand op het bord die hij al bijna veertig jaar aan iedereen heeft moeten laten zien. Tijdens de ontknoping heeft hij nog steeds veel plezier. Het lijkt of zwart een schijf kan winnen. Hij hoeft alleen maar ergens achter te lopen. En dat deed zwart.
- Et il a joué celui-là, kraakt de stem van de ouwe baas. Ha, ha, ha...
- Et ce n'est pas bon?
- Non, non. Ha, ha, ha...

En dan moet ik natuurlijk uitzoeken waarom die zet niet kan. De combinatie heb ik vrij snel, maar er komt nog een eindspel achteraan, eindigend in oppositie en dat had ik niet gezien. Een fraaie ontknoping en ik probeer mijn complimenten in het Frans over te brengen.
  De hele stad zit boordevol muziek. Vandaag vieren de Parijzenaars Fête de la Musique. Overdag zijn er een paar grote optredens zoals dat van James Brown op Place de la République, maar 's avonds komt het feest pas goed op gang. Bandjes op elke straathoek en in de cafés. Hara Krishna aanhangers met kale kop en paardestaart dansen in de menigte en zingen een eenvoudige tekst die een van hen op een vaandel meevoert: Hara Krishna, Hara Krishna, Krishna Hari Hari... of woorden van gelijke strekking.
Ook de grote verlichte rondvaartboten in de Seine, les bâteaux mouches, hebben orkestjes aan boord. De passagiers zitten aan het diner. En dat allemaal op een zwoele zomeravond. De eerste avond van de zomer om precies te zijn. Het is woensdag 21 juni.
In de loop van de avond wordt het steeds drukker rond Place St-Michel. Het ziet zwart van de mensen. Enkele ongelukkigen hebben hier nietsvermoedend hun auto geparkeerd. Daar wordt gewoon overheen gelopen. Een carnavalsstoet komt voorbij met een gangetje van ongeveer één meter per tien minuten. Op elke wagen zit een orkestje en ze worden allemaal met gejuich begroet. Een dikke trommelaar met ontbloot bovenlijf en een grote trom tussen de benen. Met één hand slaat hij op de trom. Zijn hand laat hij even in de lucht hangen en dan komt er weer een dreun. Hij is drijfnat van het zweet en lijkt in trance. In de stoet rijdt ook een alternatieve autobus mee. Transport spécial staat er op. Voor een paar franc kun je instappen. De rit duurt een half uur en brengt de passagiers ongeveer drie meter verder.
Afrikaanse drummers op Place Saint André-des-Arts proberen meisjes uit het publiek over te halen op hun muziek te dansen. Met succes. Over het algemeen hou ik niet van massaal gedoe, maar dit spektakel had ik niet graag willen missen.
Om half een trek ik me in Delhy's Hôtel terug. Het feest is nog in volle gang. Ik heb nu een kamer aan de voorkant en vooral de trommels komen goed door. Rue de l'Hirondelle is voor velen een ideale plek om de blaas te legen. Ik werk m'n verslag bij, ga naar bed en val vrijwel onmiddellijk in slaap.