Montélimar
 
Ik word wakker van iemand die bezig is terrasstoeltjes buiten te zetten. Hoe laat is het? Half zeven. Bewolkte lucht. Ik sta op en kijk naar beneden. Het is de baas zelf die de stoeltjes naar buiten sjouwt. Ik begin de dag met strekoefeningen op de vloer, was m'n gezicht, probeer me te scheren, wat alleen lukt door de stekker van het scheerapparaat onder een speciale hoek in het stopcontact te steken, en ga kijken of er al iets te eten valt. De baas staat er klaar voor.
Bij de boulanger is een vrouw die haar boodschappen van 46 franc afrekent met een cheque. Een ongedurig type. Ze gunt zich niet de tijd om geld op te nemen.
- Ça vous dérange?... vraagt ze de bakkersvrouw.
- Non, pas du tout!
En daarna vraagt de vrouw of ze er tweehonderd franc van mag maken. De vinger heeft ze en nu wil ze de hele hand. Tot mijn genoegen gaat de bakkersvrouw niet akkoord. Slechte eigenschappen kun je beter niet aanmoedigen.

Route de Marseille heet de uitvalsweg die zich buiten het dorp bij de N7 voegt. Ik kies voor een weggetje tussen boomgaarden, maisvelden en wijngaarden. Een herdershond komt me vergezellen. Hij blaft en gromt, snuffelt aan m'n rugzak, maar gaat niet tot actie over. Ik heb het niet begrepen op herdershonden. Het beest loopt kilometers ver mee. Telkens als ik denk dat hij ergens in een boomgaard is verdwenen, duikt hij weer op. Hij is niet lastig. Misschien is het allemaal heel goed bedoeld. Een eenzame wandelaar die hij zo lang mogelijk gezelschap wil houden. 't Zou best kunnen. Ik heb geen verstand van honden.
 

Saulce-sur-Rhône
De Romeinse naam was: Bantianae. Er is een mijlpaal gevonden.
Saulce-sur-Rhône. Koffie en een croissant uit de schaal op de comptoir. Achter de bar hangt een pin-up kalender. Deze maand laat een mooie meid ons haar achterste zien. 'Produits Chimiques Spéciaux' staat eronder als bronvermelding. Inderdaad een zeer speciale produktielijn. Observatie leert dat de blikken van klanten onwillekeurig naar de prent afdwalen. Ik vraag me af of de kalender er uit strategische overwegingen hangt. Chinese strategie nummer 31: strategie van de mooie vrouw - variant twee. Kun je geen echt stuk achter de tap zetten, neem dan een pin-up om klanten te trekken.
De Rhône vallei vernauwt zich. De N7 en de spoorbaan mijden de heuvels door vlak bij de rivier te blijven. De Autoroute du Soleil probeert een opening tussen twee heuvelruggen te vinden.

Le Logis Neuf. Een boulanger-épicerie met een eenvoudig terras waarop een forse man appels zit te schillen en kletst met in- en uitgaande klanten. Ik eet er m'n lunch en bestudeer de kaart. Montélimar is het doel. Maar hoe? Een jaagpad langs de Rhône zou het beste zijn en ook het kortste, maar als dit pad het laat afweten ben ik op de N7 aangewezen. Riskant. Rond de autoroute kronkelt een Départementale die mij ook zuidwaarts brengt. Alleen wordt uit de kaart niet duidelijk of het weggetje onder de autoroute doorgaan of er abrupt door wordt onderbroken. Je kunt in dit land alles verwachten. In het laatste geval zou ik even de autoroute moeten oversteken.
Ik kies het parcours langs de autoroute. Ten zuiden van het dorp ligt aan de overkant van de rivier een kerncentrale. Het is de Centrale Nucléaire de Cruas-Meysse. Het verklaart de concentratie van hoogspanningsleidingen in dit gebied. Op een van de koeltorens hebben ze een gezicht getekend.
  Het tunneltje bestaat! De Départementale is een twee meter breed asfaltweggetje en hij voert langs een aire de repos van de autoroute. Als je het verbodsbord even vergeet, kun je er ook van deze kant in. Aire de repos de Logis-Neuf. Ik ben zo vrij er een sinaasappel te pellen. Een wandelaar tussen automobilisten. De mensen op de aires aan deze kant van de autoroute hebben hun vakantie er op zitten.
De weg volgt de autoroute op een paar honderd meter. Veel bos en enkele gehuchten: Lombard, Coulanges. Ik rook een sigaartje onder een acacia. Beneden me snellen auto's en camions voorbij. Veel caravans en aanhangers. Kilometers vreten tot je er bent. Frans Maas is ook present. Een jochie van een naburige boerderij rijdt een paar keer langs op z'n fietsje. Hij is niet spraakzaam, maar wel nieuwsgierig.
 

Saint-Marcel
Marcellus is een vleivorm van Marcus, op zijn beurt vermoedelijk afgeleid van Mars, de oorlogsgod.
Verscheidene heiligen heten St-Marcel. Vermoedelijk is hier een Marcellus benoemd die rond Chalons-sur-Saône het evangelie predikte en volgens de legende in 178 levend werd begraven.
St-Marcel-lès-Sauzet. Een slaperig Frans dorpje in de namiddag. Er staat een Romaans kerkje uit de 11-12e eeuw dat toebehoorde aan een klooster van Cluny. Op het terras ernaast willen ze voor een glas fris zestien franc van je hebben. Je betaalt voor de ambiance. Nog een geluk dat de geschiedenis van het bouwwerk niet verder teruggaat dan de 11e eeuw. Een glas fris naast een Romeinse bouwval zou je kunnen ruïneren.

Ik zit bij het riviertje Le Roubion dat samen met Le Jabron bij Montélimar in de Rhône uitmondt. De D6ad is het weggetje dat de rivier volgt. Mooie weg met veel bos. Elk ravijn langs de weg is een vuilstortplaats. Zodra ze een gaatje zien, dan is het één-twee-hup en er ligt een oude koelkast of wasmachine in.
Een groot ziekenhuis dat ook op de kaart staat. Er komt een oude man uit. Net als ik wandelt hij de vier kilometer in de linker wegberm naar Montélimar. Ik denk dat hij uit het ziekenhuis is weggelopen. Nu loopt hij rechtstreeks naar zijn stamcafé om daar een glas witte wijn te drinken.

Wegwerkers.
- Vous venez d'où?
- Pays-Bas.
- À pied?
- Oui.
- Ah non...
- Mais oui.

Verbazing.
 
 
 
 
Op de kaart kun je het oude centrum van de meeste steden gemakkelijk herkennen. Op de ruimte die vrijkwam na sloop van oude stadsmuren en vestingwerken kwamen brede avenues en boulevards. Vaak was er ook wel plek voor groene promenades. Op de IGN-kaart verraadt de oude binnenstad zich dus als een geel of rood ringetje. Ook in Montélimar.
Allée du Champ-de-Mars heet de boulevard waaraan het Office du Tourisme staat. Aan de rand van een park. Ze geven me een folder met de plaatselijke hotels. Daarmee mag je het verder zelf uitzoeken. Eerst het goedkoopste hotel (honderd franc): La Bétisieu.
- Allô?
- Bonjour. Vous avez encore une chambre pour ce soir?
- Je ne sais pas.
- C'est bien sûr Hôtel La Bétisieu?
- Oui. Mais l'hôtelier n'est pas là.

Ik heb een van de gasten aan de lijn. Het tweede hotel is vol. Het derde is een Logis de France: Hôtel Dauphiné-Provence aan de Boulevard Général de Gaulle en aan de andere kant van het park.
- Vous arrivez quand?
- Dans cinq minutes.

Madame Ditmar is de vrouw die ik aan de lijn heb gehad. Aardig mens in sfeervol hotel. De folder vermeldt kamers vanaf 180 franc, maar als ik vraag om de allergoedkoopste dan blijkt dat ze er ook wel eentje van 130 franc hebben. Zonder douche. Toilet op de gang. Precies wat ik zoek.
  Het is niet de eerste keer. De meeste hotels willen graag melden dat al hun kamers zijn voorzien van douche en toilet. Uit reclame-overwegingen. En dan noemen ze de laagste prijs bij die kamers. Maar ondertussen hebben ze ook nog wel andere kamertjes, met alleen een cabinet de toilette - een wastafel dus. En op die manier zit je voor een laag bedrag in een goed hotel, want de voorzieningen waaraan ze hun sterren te danken hebben (receptie, restaurant, salle de repos...) daar kun je gewoon van profiteren.
De Logis de France heeft als motto: L'hôtellerie à visage humain. Als ik in zo'n hotel binnenstap, vraag ik me altijd af wie het zou kunnen zijn - de persoon met het menselijke gezicht.
- Ah, c'est vous, avec le visage humain?
Een kamer aan de achterkant. Het slot van de deur werkt niet goed. Geen probleem want ik doe m'n hotelkamer 's nachts nooit op slot. Eén uitzondering was er: in Meaux. Het enige hotel waar ik het niet vertrouwde.
Nougat
Nougat ontleent zijn naam aan Nax Gatum, een zoetig cake-je dat de Grieken in Gallië introduceerden toen ze in 600 vC Marseille stichtten. In de 16e eeuw kwam de Aziatische amandelboom in Frankrijk. Amandels in combinatie met honing uit de Provence leidde tot de uitvinding van nougat. Montélimar produceert jaarlijks dertigduizend ton van het spul.

 
Montélimar
De Romeinse naam was Acunum en het lag aan de weg naar het zuiden. Mijlpaal nr. 5553 is er gevonden.
In de 12e eeuw bouwde de familie Adhémar een fort: de Mont-Adhémar. Het staat er nog. De naam van het middeleeuwse stadje dat ernaast ontstond werd verbasterd tot Montélimar.
Montélimar heeft een aardige binnenstad. Meest voetgangersgebied. Genoemd park ligt tussen het oude centrum en het station. Een mooi ouderwets station overigens, dat me, met de hele sfeer er omheen, sterk aan het oude station van Assen doet denken. Op de Allée du Champ-de-Mars zie je fonteinen, een draaimolen, hotels en vooral veel terrasjes. En nougat-winkels heb je er ook. Montélimar is de nougatstad.
Van de stadspoorten staat alleen nog de noordelijke overeind: Porte St-Martin. Montélimar is geen grote stad - zo'n dertigduizend inwoners.

Ik ga eten in Hôtel-Restaurant La Bétisieu. Het telefoongesprek heeft me nieuwsgierig gemaakt. Ze hebben een klein restaurant met vier tafeltjes. Sober ingericht. De enige andere eter is een oude dame met tic. Ze klaagt over de hitte, al kun je het vandaag niet exceptioneel warm noemen. Ze logeert hier.
Het personeel is met vier man veruit in de meerderheid. Daube heet het vleesgerecht. Eerst denk ik aan een soort kip, maar daube staat voor de bereidingswijze, namelijk: het gaarsmoren van vlees. De vrouw achter de tap hoort aan m'n accent dat ik geen Fransman ben. Waar ik vandaan kom? Ik laat het ze raden.
 
 
 
 
 
 
 
 
Place Dauphine
Place Dauphine in Parijs - het plein van de troonopvolger.
Dauphiné-Provence heet het hotel. Le Dauphiné is een oude Franse provincie. Vanaf de 11e eeuw wisten de graven van Albon hun gebied tussen Rhône en Alpen steeds verder uit te breiden en ergens in de 12e eeuw gaven de graven zichzelf de titel Dauphin. Waar ze de naam vandaan haalden is onduidelijk. Dauphin betekent dolfijn. Hun gebied noemden ze Le Dauphiné.De laatste Dauphin was Humbert II. Na de vroegtijdige dood van zijn zoon was er geen erfgenaam meer. Humbert verzon een list. In 1349 verkocht hij zijn bezittingen aan Koning Philippe VI op voorwaarde dat de oudste zoon van de koning, de troonopvolger dus, in het vervolg Le Dauphiné in eigendom zou krijgen en ook de titel Dauphin zou voeren. Aldus geschiedde.
Later werd Le Dauphiné een Franse provincie met Grenoble als hoofdstad. De provincie bestreek de huidige departementen Isère, Drôme en Hautes-Alpes.
  Er klinkt muziek in de stad. Een troubadour die op een terras elektronisch versterkte chansons ten gehore brengt. Hij ziet eruit zoals een Franse troubadour er uit hoort te zien: lang zwart haar met grijze scheuten, doorleefd gezicht, spijkerbroek, fleurige blouse, kettinkjes om hals en polsen, kaplaarsjes... Enkele chansons beginnen me bekend voor te komen. Les petits oiseaux is ook weer van de partij. Mensen neuriën en zingen mee. Jaja. Over kleine vogeltjes kunnen die Fransen heel sentimenteel zingen, maar ondertussen deinzen ze er niet voor terug om diezelfde vogeltjes te vangen en als lekkernij op te peuzelen. En plotseling zie ik de troubadour als een gelaarsde kat die met verstikte stem een ballade over arme vogeltjes ten gehore brengt.
 
 
 
 
 
Bernard Levin. Hannibal's Footsteps, Jonathan Cape, 1985.
In 219 vC trok Hannibal met zijn leger (60.000 man infanterie, 9000 ruiters en 37 olifanten) door het zuiden van Gallië om na een barre tocht over de Alpen (het was winter) de Romeinen in Noord-Italië aan te vallen. De Engelse schrijver Bernard Levin reconstrueerde de tocht en schreef er een boek over: Hannibal's Footsteps. Levin begon zijn wandeling in Aigues Mortes (Camargue), stak bij Beaucaire in een roeiboot de Rhône over en volgde de linkeroever tot hier in Montélimar, bezocht een nougatfabriek, kreeg een doos cadeau, dumpte deze in de eerste de beste afvalbak want hij lustte geen nougat en liep daarna, nog steeds in navolging van Hannibal, langs de rivier de Drôme de Alpen tegemoet.