La Ferté-sous-Jouarre

De promenade van Château-Thierry gaat over in een chemin de halage die ik de hele morgen kan blijven volgen. Bij Aulnoy is het jaagpad breder en er ligt een landgoed aan het water. Tai Ji.
Azy-sur-Marne heeft geen café. Verderop zijn werklui de oevers aan het schonen. Het hout verbranden ze direct op vuren aan de waterkant met behulp van veel benzine. Dit is een klein stukje van de GR11a - een variant van de GR11. Er staan vakantiehuisjes aan het water, maar het jaagpad hebben ze intact gehouden. Weliswaar staat er een bordje met Propriété Privée, maar hetzelfde bordje zegt: Randonneurs bienvenue - wandelaars zijn welkom. Da's aardig. De honden verdedigen deze huisjes even fanatiek als hun gewone territorium.

Nogent-l'Artaud. Duizend inwoners en een station. Ik loop het eerste café binnen dat ik zie. Op het terras zit een vrouw te breien. Ze gaat koffie zetten en als ze terug komt heeft ze een tube bij zich.
- Du lait?
- Oui...

Ze houdt de tube boven mijn koffie en begint er in te knijpen. Melk? Er lijkt een soort mayonaise uit te komen. Een bijzonder goor goedje.
- C'est assez, zeg ik, want ze knijpt gewoon door.
Om niet onsportief te zijn heb ik daarna de gifbeker leeggedronken. Het toilet is buiten, maar ik zie er vanaf. Papier ontbreekt en de pot oogt niet fris. Naast de pot staat een putsemmertje. Daarmee kun je naar de Marne lopen om water te halen. Zo primitief zie je het niet veel meer. Overigens vraag ik me af hoe Fransen het zonder toiletpapier klaarspelen. Eén op de twee toiletten heeft geen papier. Ik heb wel een donkerbruin vermoeden. De Romeinen kenden ook geen toiletpapier. Een pleeborstel hadden ze wel. Niet om het toilet schoon te maken, maar om hun kont mee af te vegen. Ik verdenk een deel van de Fransen ervan deze gewoonte in ere te houden.
  Nogent heeft natuurlijk wel iets beters te bieden. In het centrum staat een ordentelijke bar. Ik stuur snel een sandwich en een paar glazen melk achter de dubieuze koffie aan. Een Bar-Tabac is het. Een handige uitvinding. Voor de klant omdat een café langer open is dan een tabakswinkeltje en voor het café omdat de klant er vaak een consumptie aan vast knoopt.
De Marne begint te meanderen en voor de middagwandeling kies ik de D86 en de D70 op de linkeroever die er korter over doen. Ik krijg er spijt van want het zijn drukke wegen. In Pavant staat een klein kroegje, waar mensen je een hand geven als ze binnenkomen. Er is een eetzaaltje aan verbonden dat stampvol zit.
Mooie vergezichten over de Marne-vallei. Treinen, auto's en schepen - het gaat allemaal door die vallei. De weg voert door Pisseloup en Citry. Nieuw departement: Département de Seine-et-Marne, nummer 77. Tijd om onderdak te zoeken. Rechtsaf ligt Nanteuil-sur-Marne, 300 inwoners, en rechtdoor Saâcy-sur-Marne met 1200 inwoners. Wat kies je dan? Saâcy. Maar het is fout, want het hotel staat in Nanteuil zoals twee vrouwen mij in Saâcy vertellen.



Vier uur. Om in Nanteuil te komen moet ik twee kilometer terug en dat stuit me tegen de borst. Voor La Ferté echter, moet ik nog acht kilometer verder en dat betekent twee uur lopen. Ik loop het dorp uit tot de splitsing van wegen en dan moet ik echt kiezen. James Redfield met zijn inzichten meldt in The Celestine Prophecy dat je bij twijfel de weg moet nemen die er in jouw ogen, of fantasie, het mooiste en kleurrijkste uitziet. Dat is de weg die voor jou bestemd is. Het beste kun je je ogen een beetje toeknijpen zodat je wazig begint te zien. Dat schijnt te helpen. Zelf ben ik nog niet aan dit inzicht toe. Ik kijk beide kanten op maar zie geen verschil. Nanteuil lijkt niet kleurrijker dan La Ferté. Ik wandel een eindje in de richting van Nanteuil, gewoon om te kijken hoe het loopt. Het loopt niet lekker, want eigenlijk wil ik naar La Ferté. Na honderd meter hou ik het voor gezien. Ik geef m'n voeten een Hirschtalg-beurt, doe een stukje Tai Ji om het laatste restje energie te mobiliseren en keer op mijn schreden terug.
 
De D402 snijdt twee Marnelussen af en dat betekent twee keer klimmen: in Méry-sur-Marne en Luzancy. Na Luzancy dwing ik mezelf tot een pauze bij een parallelweggetje. Het is druk op de weg want rond deze tijd jakkeren de Fransen weer naar huis. Met wandelplezier heeft dit deel van de etappe niets te maken.
Over de heuvels nadert een plensbui. Ik trek de poncho aan en wacht de bui af aan de rand van het bos. Er ligt een overnachtingsplek van een zwerver: paar stukken karton, slaapzak in een vuilniszak en wat lege flessen. Met die poncho red ik het trouwens nog steeds. Al tijdens de buien bij Leuth in Gelderland heb ik mezelf een echte wandelponcho beloofd - eentje die tot aan de voeten reikt en waar de rugzak onder past. Maar op de een af andere manier komt het er niet van.
 

Reuil-en-Brie
Reuil-en-Brie komt een paar dagen later in het nieuws. Het krantebericht: Drie jongens van een jaar of achttien uit La Ferté komen met een noodgang terug van een feestje. Chauffeur raakt macht over het stuur kwijt, auto raakt van de weg, vliegt over daken van huizen en vouwt zich om een lantaarnpaal. Twee jongens op slag dood, derde overlijdt op weg naar ziekenhuis. Dit soort berichten verbaast je niet als je Fransen ziet autorijden.
Na de bui breekt direct de zon door en over het dampende asfalt loop ik verder naar Reuil-en-Brie. Petit café in een druk bezocht kroegje.

Onderzoek wijst uit dat er vanaf Reuil-en-Brie een pad langs de Marne loopt. De GR14a gaat er ook langs. Kwart over zes ben ik in La Ferté-sous-Jouarre. M'n voeten doen zeer, maar het is mooi weer en ik heb het gehaald.
Het Bureau du Tourisme is gesloten. De winkelier ernaast komt naar buiten en vraagt of hij me kan helpen. Ik vertel hem dat ik de goedkoopste kamer in de stad zoek. Hij noemt een hotel waarvan ik al gezien heb dat het dinsdags is gesloten. Een man in een rolstoel mengt zich in het gesprek. De man weet veel. Hij weet ook het goedkoopste adres.
- C'est la maison de la Mission Catholique Polonaise.
- Et c'est quoi?
- Ces sont des bonnes soeurs Polonaises.

Nonnen dus, al begrijp ik niet een-twee-drie wat die polonaise erbij doet. Poolse nonnen in La Ferté?
- Et on peut dormir par là?
- Bien sûr!
  En hij legt uit hoe ik de Poolse missie kan bereiken. Het is een eindje buiten het centrum op een heuvel: Avenue du Général Leclerc.
Een nachtje bij de nonnen? 't Is weer eens wat anders. Eerst een glas bier in een café tegenover het station. Ook daar steek ik mijn licht op. De barhouder lacht wat. Jaja, hij weet wel waar het is, maar zelf zou hij er nooit heengaan.
- Pourquoi pas?
Daar geeft hij geen antwoord op. De enige andere klant in de bar ligt dubbel van het lachen. Mijn nieuwsgierigheid is voldoende geprikkeld.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 


- Welk land?
- Nederland.
- Goed. u kunt hier slapen.
De Poolse missie bestaat uit een tweetal keurig wit geverfde gebouwen. In de tuin tref ik een onkruid wiedende non. Ze brengt me onverwijld naar het opperhoofd. Deze zit in haar kantoortje achter een 486 DX - een moderne computer, die de nonnen hebben aangeschaft om aan de wereldse beslommeringen het hoofd te bieden. De moederoverste is een vrouw van een jaar of dertig. Ze begint opgewonden te praten in meerdere talen. Eerst vraagt ze of ik Pools spreek en is ernstig teleurgesteld als blijkt dat ik die taal niet machtig ben. Vervolgens blijkt haar Frans onvoldoende voor een goed gesprek en uiteindelijk besluiten we er Engels van te maken.
- Which country?
- The Netherlands.
- Good. You can sleep here.

Nederland zit in de selectie. Ze pakt een formulier en dat vullen we samen in. Daarna brengt ze me naar een slaapzaal met een stuk of tien dubbele bedden. Ik heb de hele slaapzaal, voorzien van douche en toilet, voor mij alleen. Je kunt er in via een buitendeur en daarvan geeft ze me de sleutel. Wel moet ik beloven voor tien uur binnen te zijn, want dan gaat de poort dicht. De kosten van dit alles? Dertig franc voor de overnachting en tien franc voor het ontbijt. Totaal vijfenveertig franc - vijftien gulden. De man in de rolstoel had gelijk. Goedkoper kan het niet.
En wat een prachtige plek! Achter de gebouwen ligt een park waar je kunt wandelen en waar ik mij morgen in alle vroegte al Tai Ji zie doen.
Voor het eerst pak ik de slaapzak uit die ik in Charleville heb gekocht. Tot dusver heb ik hem in het hoesje laten zitten, maar vannacht komt hij van pas. Het is zo'n mummy model: smal bij de voeten en naar boven toe breder.
  De moederoverste vraagt of ik vanavond mee wil eten. Nee? Of ik dan misschien een foldertje over Jésus-Christ mee wil, gewoon om eens te lezen. OK, neem ik mee - om haar een plezier te doen. Het valt reuze mee met de bekeringsdrift.
Stevenson deed met zijn ezeltje een trappistenklooster aan ergens in de Cevennen: Notre-Dame de la Neige. Toen de monniken erachter kwamen dat hij protestant was en in hun ogen dus eigenlijk een heiden, bracht men alles in stelling om hem op andere gedachten te brengen. Op zeker ogenblik besefte hij dat hij moest opschieten wilde hij het klooster als protestant verlaten. De abt noemde allerlei personen op, die hem in een bekering waren voorgegaan. Een fragment uit zijn journaal:
 
"Ah!' cried the priest. "Hear that! And I have seen a marquis here - a marquis - a marquis" - he repeated the holy word three times over - "and persons high in society, and generals. And here, at your side, is this gentleman, who has been so many years in armies, decorated, an old warrior; and here he is, ready to dedicate himself to God."
The marquis had nearly finished me. I felt that if I were to get away with a scrap of my faith about me, I must be speedy; he might have a duke in the background; and so pleading cold feet, I escaped from the apartment, as Protestant as I had come in.
-The Cevennes Journal (1878)
Robert Louis Stevenson
 
 
 
 
Klooster van Ligugé
Sommige bronnen geven het klooster Ligugé bij Poitiers als eerste klooster in Frankrijk. Het zou omstreeks 350 zijn gesticht door Saint Martin, de latere bisschop van Tours.

 
 
Klooster
Uit Latijnse claustrum - afgesloten ruimte.
Kloosters. Ze zijn ontstaan in Egypte, in de derde eeuw. Hoe kwamen ze in Europa? Un peu d'histoire...
Honoratus (Saint Honorat) was een telg uit een Galloromeinse familie. Elite. Ergens tussen 385 en 395 maakte hij samen met zijn broer een reis naar de kloosters in Egypte. Rond 410 stichtte Honoratus twee kloosters naar Egyptisch model op twee eilandjes in de Middellandse Zee voor de kust bij Cannes: les Îles de Lérins. Op het eilandje Lero (nu Île Sainte-Marguerite) kwam een klooster voor vrouwen en op Lerina (nu Île Saint-Honorat) eentje voor mannen. Het klooster op Île Saint-Honorat bestaat nog steeds.
Er waren meer welgestelde Galloromeinen die hun bestuurlijke carrière afbraken om monnik te worden op Îles de Lérins. Na jaren van vrijwillige isolatie keerden deze mensen naar de bewoonde wereld terug zodra er een beroep op hen werd gedaan om bisschop te worden. Honorat zelf werd na zeventien jaar kloosterleven bisschop van Arles.
Monnik
Uit het Griekse monachos - eenling.
Vanaf de 3e eeuw gingen in Egypte mensen alleen in de woestijn wonen. Vandaar ook heremiet: uit het Griekse eremos - woestijn.
Toen het Romeinse keizerrijk bezig was in te storten, werd de bestuurlijke organisatie langzamerhand door de bisschoppen overgenomen. De bisschoppen beperkten zich niet tot zielzorg, maar hadden ook de rechtspraak, het stadsbestuur en de openbare voorzieningen onder hun hoede. De oorspronkelijke Civitates werden bisschopstaatjes.
Daarbij kwam het goed uit dat veel bisschoppen van oorsprong uit de bestuurlijke bovenlaag van de bevolking kwamen. Ze kenden hun rol van huis uit. En merkwaardig genoeg waren de rollen nu omgedraaid. Een carrière in dienst van de keizer was niet langer mogelijk. Bij afwezigheid van een wereldlijke macht waren het nu de bisschoppen die de lakens uitdeelden. Dus: wilde je als familie meetellen, dan moest je ervoor zorgen dat je verwanten in de kerk op bestuurlijke posten doordrongen.
De voorraad capabele monniken was natuurlijk snel uitgeput en het duurde niet lang of je kon ook bisschop worden zonder meditatieve aanloop in een klooster. De bevolking had het liefst mannen boven zich met bestuurlijke of militaire ervaring. Het waren roerige tijden.
  Beneden bij het spoor heb ik een Chinees restaurant gezien. Menu van zestig franc, maar wat ik krijg voorgeschoteld is bijzonder smerig. Er ligt een dikke worst op het bord en als ik die open snij komen er ingewanden tevoorschijn die een wee luchtje verspreiden. Niet eetbaar dus en dat is jammer want eigenlijk heb ik wel honger.
In de haven van La Ferté liggen dezelfde twee scheepjes als gisteren in Château-Thierry. Belgische scheepjes: de Panta Rei en het Skûtsje.

Als ik om half tien 's avonds uit het stadje terugkeer, is de non nog steeds aan het onkruid wieden.