Fumay - 2e dag
 
Wakker van geluiden op straat. Marktkooplui zijn onder mijn raam bezig hun kraampjes op te zetten. Woensdags is het markt in Fumay.
Het ontbijt bestaat uit baguette, jam en boter. Er staat een soepkom op tafel - geen bord. De soepkom schijnt voor de thee te zijn. De infirmière heeft er geen bezwaar tegen dat ik een tweede nacht blijf. Ze geeft me de regionale krant te lezen: L'Ardennais. Mijn kostjuffrouw heeft alles pico bello geregeld. Ze heeft alleen iets met spiritus. In het hele huis hangt een flauwe spirituslucht. Misschien krijgen verpleegsters het in hun opleiding.
Autre détail: de deur van de woning zit overdag niet op slot. Dat hoeft ook niet want er loopt een Schotse Collie rond. Het beest heeft het niet op mij begrepen. Vanmorgen hapte hij in mijn bovenbeen. Gewoon voor de aardigheid natuurlijk, maar toch - ik hou er niet van. De verpleegster heeft ook een echtgenoot. Die is minder gevaarlijk. Gisteravond heb ik met hem kennis gemaakt. De man gaat 's morgens om zes uur het huis uit. Ik weet niet wat hij doet.
Verpleegsters hebben in Frankrijk een andere status dan in Nederland. Je kunt je vestigen als zelfstandig verpleegster, net als een huisarts, met zo'n bordje op de deur: Mme A. Infirmière. In de regionale krant zie je in de rubriek Urgence niet alleen de artsen staan die dienst hebben, maar ook de verpleegsters.
Mijn hospita moet af en toe even weg. Dan bezoekt ze iemand in Fumay. Meest oude mensen, zegt ze.
  Op zoek naar een rustig plekje voor Tai Ji begeef ik me naar de camping municipal. Hij ligt aan de Maas. Bij de ingang staat een telefooncel en dat brengt me op het idee om eens met mijn collega's te bellen. Vandaag is mijn laatste vakantiedag en tevens de laatste dag dat ik in dienst ben van het Van Hall Instituut. Een goed aanknopingspunt voor een gesprek. Ik krijg het antwoordapparaat. De school is gesloten. Personeelsreisje.

In de supermarché koop ik een lunch bij elkaar en eet die thuis op. Beneden op straat breken ze de kraampjes af. Een vrouw zoekt tussen het marktafval naar bruikbare resten van groente en fruit. Armoede. Een marktkoopman geeft haar twee gave appels.
  Mijn grote teen baart me nog steeds zorgen. Elke avond gaat hij een tijdje in warm water, maar het ding blijft gevoelloos. Aan de Place Aristide-Briand woont Docteur Mario Iglésias en hij is Médecin Général. Een all round medicijnman - wat ze in Nederland een huisarts noemen. 's Middags heeft hij Consultations van half twee tot half vijf. Verder vermeldt het bordje naast de deur dat hij is afgestudeerd aan de universiteit van Toulouse. Zeer geruststellend.
Spreekuur zonder afspraak dus en stoeltjes op de gang. Zo mag ik het graag zien. Er zit niemand trouwens. Een assistente is er ook niet, maar die heb je ook niet nodig als je geen afspraken maakt. Een zwangere vrouw verlaat de spreekkamer en daarna ben ik aan de beurt.
Docteur Iglésias is een vriendelijke man van een jaar of veertig. Ik leg hem mijn grote teen voor en vraag zijn opinie.
- Pas grave, zegt hij.
Moet vanzelf weer overgaan. Niettemin schrijft hij een receptje uit. Macht der gewoonte wellicht of solidariteit met de plaatselijke Pharmacie. Het zijn pilletjes om het bloed beter te laten stromen. Ik heb ze niet opgehaald. Het leek me onzin. Als een dag lopen niet voldoende is om het bloed in de tenen te laten stromen, dan helpt zo'n pil ook niet.
Maar evengoed. Zijn 'Pas grave' is me de prijs van het consult (110 franc) wel waard. En het spreekuur zonder afspraak verdient zeker navolging. De meeste mensen hebben zo'n boekje bij zich waar instaat wat ze moeten doen. Een agenda. Enkele ongelukkigen hebben een hele grote - die moeten heel veel doen. Van uur tot uur is hun dag voorgeschreven. Ik hou niet van agenda's. Zodra ik mijn afspraken niet meer kan onthouden, heb ik het te druk. En zeg nu niet dat je het in bepaalde beroepen niet zonder agenda kunt stellen. Deze dokter bewijst het tegendeel.
Vraag je eens af: wat is echt nodig en wat is aanstellerij? Ik heb werklozen gekend die een zware agenda met zich meezeulden. Aan die agenda ontleenden ze hun gewicht. Voor een eetafspraak zagen ze het eerste gaatje pas over drie weken!
Met een agenda verdwijnt alle avontuur in het leven. Spontaan handelen is er niet meer bij. Je verlaagt jezelf tot een computer die bezig is een programma uit te voeren. Kortom: gooi die agenda weg en behandel je zaakjes in volgorde van binnenkomst - zoals Médecin Général Mario Iglésias.
Wat moet je op zo'n rustdag anders doen dan lopen? De rest van de middag besteed ik aan een wandeling langs de lus in de Maas. Er loopt een jaagpad. Hij voert langs een wijk met vakantiehuisjes en een verlaten tennisveld. Hoge beboste heuvels aan de overkant. Ik hoor stemmen in het bos, maar bij nader inzien zijn het echo's van stemmen uit camping.
Er passeren enkele schepen. De sluis draait weer. De sluis van Fumay ligt aan de zuidkant van de Maaslus. Ze zijn er nog steeds aan het baggeren - heel primitief met een dragline op een werkschip. Elke keer als de grijper zich in de bodem nestelt, helt de boot gevaarlijk over. De sluis was tot gisteren onbruikbaar. De hoge waterstand had de sluisdeuren geforceerd en de vaargeul was dichtgeslibd. Dit was de stremming waarover Arend in Schuttevaer had gelezen. Sinds vandaag kan er weer geschut worden. Maar erg soepel gaat het nog niet en vanochtend heeft er een Hollands jacht twee uur in de sluis vast gezeten omdat ze de sluisdeuren niet open konden krijgen. Die arme mensen zaten in hun bootje twee uur lang tegen metershoge sluismuren aan te kijken.
  Aan de andere kant van de heuvel komt de spoorweg weer tevoorschijn en hier ligt ook het station. Ik bezoek het cafeetje er tegenover, niet zozeer voor een consumptie als wel om van het toilet gebruik te maken. Een aangeschoten dikzak aan de bar begint vragen te stellen. Hij wil weten waar ik vandaan kom. Als ik niet snel antwoord, begint hij te raden:
- Allemand? Anglais?...
- Chinois,
zeg ik, maar hij gelooft het niet.
De barman probeert de vragensteller te stoppen. Lukt niet. De man zeurt maar door.
- Je suis Hollandais.
- Une vacances à bicyclette?
- À pied.
- À pied? À pied d'Hollande?
- Oui.
- Vous êtes un commando?
- Non.

  Het straatje waar het huis van mijn hospita staat, loopt langzaam af naar de Maaskade. Ze vertelt dat afgelopen winter het water in de huizen beneden aan de weg tot halverwege de eerste verdieping stond. Ze kent natuurlijk ook de verhalen uit Nederland waar hele steden werden geëvacueerd.
De hoge waterstand in de rivieren is elk jaar weer een dankbaar onderwerp voor Franse journalisten. De hoge waterstand is hier elk jaar weer exceptionnel. Men schiet ontroerende plaatjes van mensen die tot hun middel het water in moeten om hun baguette op te halen en de heldendaden van de sapeurs-pompiers (brandweer) worden breed uitgemeten in de regionale pers.
Maar ondertussen blijven maatregelen achterwege en de overstromingen komen elk jaar, totaal onverwacht, weer terug. Ik verdenk de op sensatie beluste Fransen ervan dat ze er expres niets aan doen. De slachtoffers houden van zo'n avontuur dichtbij huis waarmee ze de pers halen, de jongens van de brandweer kunnen elk jaar weer 'De Drie Musketiers' spelen en de journalisten maken er een smeuïg verhaal van voor het grote publiek. De bestuurders tenslotte, kunnen doorgaan met nota's produceren, vergaderen en recepties aflopen. Iedereen tevreden. Wat wil je nog meer?
  Fumay is een stadje met ongeveer zesduizend inwoners, die Fumaciens heten. Eertijds was het bekend om haar leisteengroeven. De Franse Ardennen is namelijk een leisteengebergte. Leisteen wordt van oudsher gebruikt als dakbedekking. De winning werd slecht betaald en was gevaarlijk. Leisteengroeven hebben namelijk de neiging in te storten. Nu zijn de groeven gesloten, maar in de dorpen hier in de buurt schijn je nog steeds opvallend veel weduwen aan te treffen.
Enkele geveltjes in Fumay lijken zo uit een naïef schilderijtje te zijn weggelopen. Het zijn de gerestaureerde pandjes. In elke straat staan er wel een paar. Mijn hospita bewoont er ook eentje. Als deze renovatie doorzet, kan Fumay een leuk stadje worden.
  In de jachthaven maak ik een praatje met de bemanning van de Marijke - een plezierjacht. Het zijn Friezen: man en vrouw uit Akkrum. Ze blijken mij in Dinant ook al te hebben gezien. Ze varen naar Parijs en gaan dan terug door het Canal du Nord.
De promenade bij de jachthaven is nieuw en hij is juist vandaag officieel geopend. Vandaar al die vlaggen. In het kantoor van de havenmeester is de receptie nog in volle gang.
- Maar ons hebben ze niet uitgenodigd, zegt de schipper van de Marijke spijtig.
Morgen varen ze verder. Ze hebben vandaag even afgewacht of de sluis het wel echt doet.
  Menuutje van zestig franc in Hôtel-Restaurant Le Rocher. Ik ben er om zes uur en dat is een uur te vroeg. Ik moet er nog aan wennen dat je op deze breedtegraad pas vanaf zeven uur een warme hap kunt krijgen, tenzij je natuurlijk het déjeuner tussen de middag neemt. Dan serveren ze tussen twaalf en drie het goedkope Menu du Jour. Maar op dat moment heb ik nog geen honger.
Om half zeven kom ik voor de tweede keer binnen en begin mijn verslag bij te werken. Ze geven me alvast iets te drinken. Om zeven uur komt er een vrouw langs die de bestelling op haar boezem noteert. Dat wil zeggen: ze gebruikt haar boezem als tafeltje voor haar blocnootje. Met haar in verhouding korte armpjes past het allemaal precies. Deze vrouw lijkt voor het opnemen van bestellingen geschapen.