Carnon Plage

Walking through France is not a tremendous feat, for anyone can do it given time, but on the other hand, not many have.
- Robin Neillands
 
De eigenaar en zijn vrouw dekken de tafels voor het ontbijt. Had ook gisteren gekund, zou je zeggen. Misschien verwachten ze het laatste oordeel binnenkort. Zouden ze gisteren de tafel voor niks hebben gedekt. Ze hebben een taakverdeling. Dateert waarschijnlijk al van jaren her. Elke dag weer diezelfde routine en elke dag weer iets te laat.
Er zitten twee arrogante Italiaanse jongens met hun vriendinnen. Gedragen zich alsof de wereld van hen is. De meisjes zijn poeslief. Ze kennen hun plaats.

Ik maak een laatste foto van Aigues-Mortes. Buiten de muren lijkt het nergens op, binnen de muren is het wel aardig. Het pad langs het kanaal houdt snel op en dan rest niets anders dan de D979. Gelukkig ligt er een fietspad naast, maar de andere kant van het kanaal was beter geweest. Daar loopt een rustig weggetje, dat om me te pesten tot Le Grau-du-Roi in beeld blijft. Ik wou dat ik helderziend was.
Salin du Perrier staat er op de kaart. Salins du Midi staat er met grote letters op de gebouwen. Ernaast liggen witte bergen. Allemaal zout. Een salin is een zoutmoeras
Het is een beetje heiig en ik loop door een troosteloos gebied met meren aan weerszijden van de weg. Ik zie een vlucht flamingo's, ook andere vogels, met en zonder fiets en wazige witte blokjes in de verte: Le Grau-du-Roi. En daarachter moet ze liggen - de Middellandse Zee.
  Half tien. Het plaatsnaambordje van Le Grau-du-Roi. Foto. De weg voert langs de haven. Veel Nederlandse boten. Kapitale jachten, waaronder eentje uit Vinkeveen. Bemanning zit aan de koffie. Een vissersplaatsje is het. Toeristen, vissersboten en meeuwen. Ik loop de brug over bij de haven en zie de zee. Heel gewoon: de Middellandse Zee. Ik heb haar wel vaker gezien, maar nog nooit na een wandeling uit Groningen. Ze ligt er vanmorgen niet op haar voordeligst bij, maar wat maakt het uit. Ik loop over de kade naar de pier.
Er slenteren toeristen over de pier en er zitten mannen te vissen. Op de basaltblokken liggen netten te drogen. Krijsende zeemeeuwen. Ik maak een foto van de zee en van het stadje. Ik loop over de pier tot ik niet verder kan. Hier eindigt de tocht naar het zuiden. Daar sta je dan. Geen ontvangstcomité. Geen TV-ploeg. Niemand met een fles champagne. Geen felicitaties. Op de pier staat een telefooncel. Als ik nu iemand heel goed kende, zou ik die kunnen bellen en zeggen: 'Ik ben er!' Maar zo goed ken ik niemand.
Ik loop het stadje in, koop zeven ansichten en zeven postzegels en trek me terug in een Salon de thé. Ansichten naar Groningen. 'Neem er gerust één op', schrijf ik. 'Zelf vier ik het met een croissant en een kop thee.'
Twee ontroerende momenten kende de tocht tot dusver. Twee momenten waarop er even iets door me heen ging. Dat waren de eerste glimp van de Eiffeltoren en die van de Méditerranée.

Wat moet ik verder in Le Grau-du-Roi? 't Is geen strandweer. Ik doe de ansichten op de bus en volg de boulevard naar het westen. Het loopt wel aardig met links van je de zee. Het is weer eens wat anders dan een kanaal. In de verte liggen de piramides van La Grande-Motte.

Brug over de Vidourle en daarachter La Grande-Motte - de grote vlek. Hier begint departement l'Hérault. Mijn laatste departement, nummer 34. Hoofdstad Montpellier en zoals de meeste departementen genoemd naar een rivier die er doorheen stroomt. De Hérault komt bij Agde in zee uit.
Aan de monding van de Vidourle ligt een groot park met Loisirs. Daar voltooi ik mijn drie verplichte Tai Ji bewegingen. Daarna is het etenstijd en ik ga op zoek naar het centrum. Valt niet mee. La Grande-Motte is een kunstmatige stad. Zij is op de tekentafel ontworpen - door architect Jean Balladur. In 1966 begonnen ze met de bouw. In tegenstelling tot andere steden zie je hier geen kerktorens die je naar het centrum leiden. Je ziet geen straten die naar het centrum lopen en alle gebouwen lijken op elkaar. Alle gebouwen zijn vakantie-appartementen. En alle mensen die je ziet zijn vakantiegangers. Een vakantiepark in de vorm van een stad. Een stad zonder historie en zonder sociale structuur. Vreselijk.
Bij zoiets past alleen een bord patat. Het weer is opgeklaard en de eerste badgasten komen terug van het strand. Mijn oog valt op een fraai gevormde dame die haar handdoek kunstig gevouwen op het hoofd draagt - een marmotte noemen de Fransen het. Badstofbroekje dat een deel van haar billen bloot geeft. Ze zal er geen klachten over krijgen. Er mankeert niets aan haar billen.

Na La Grande-Motte krijgen we Le Couchant. Nog meer vakantie-appartementen. Dan de D59 langs het strand met een eindeloze rij auto's van badgasten. Ondertussen is het heet geworden. Het is een eigenaardige wandeling over een landengte: links zee, rechts een enorm meer - Étang de Mauguio. Het Canal du Rhône à Sète loopt er ook en het jaagpad is natuurlijk een optie. Maar dit is wel grappig en nu ik bij zee ben, wil ik eigenlijk ook wel zee zien. Bovendien - de restauratieve voorzieningen langs de D59 zijn goed. Om de paar honderd meter staat een snackwagen.
 
 
 
 
 
Pauze bij een wilde kampeerplaats. Vanuit het oosten komen onweerswolken opzetten. Het begint te waaien en het strand loopt leeg. Als ik om vier uur Carnon-Plage binnen loop vallen de eerste spetters. Net op tijd, denk ik, maar zoals gewoonlijk komt er weer niets van.
Ik hoop op een rustig hotelletje waar ik een paar dagen kan blijven. Het eerste dat ik zie is Hôtel Dauphine. Niet slecht, maar ik loop door naar Carnon, naar het Bureau du Tourisme bij de haven.
Jongedame met vriendje die haar komt afhalen. De sterrenhotels zitten allemaal vol, zegt ze, maar ze weet nog iets anders: Hôtel Dauphine. Ze belt en reserveert een kamer. Vriendje begint een gesprek:
- Vous venez d'où?
- Pays-Bas.
- À pied?
- Oui.
- Mais c'est super!

En dan de bekende vragen. Hoe lang ben ik al onderweg? Hoeveel kilometer loop ik per dag?
- Et après Carnon?
- Montpellier. Fin de voyage.
- Attendez...

En hij zoekt wat folders over Montpellier op.
- Vous arrivez quand? ... vraagt de jongedame die eindelijk verbinding heeft.
- Dans une heure, zeg ik. D'abord je vais boire un demi sur la terrasse. Après ça je viens.
- Dans une heure,
herhaalt ze voor de telefoon. Le monsieur est à pied et il veut premièrement boire quelque chose ici sur la terrasse.
  Carnon is spiksplinternieuw. Nieuwe haven, nieuwe hotels en restaurants, nieuwe promenades en nieuwe flats. La Grande-Motte in het klein. Carnon-Plage is een lange straat met oude en nieuwe huizen. Hôtel Dauphine is oud en het ziet er gezellig uit. Kamer met uitzicht op zee - 230 franc. De hôtelier is een vriendelijke veertiger die onlangs met een gezinnetje is begonnen. Eerst wil hij dat ik direct betaal, maar later, als ik zeg twee dagen te willen blijven en anders gekleed ga, lijkt het hem beter dat ik afreken bij vertrek. Lijkt mij ook.
Ik zoek strandspulletjes bij elkaar en loop naar zee. Ver is het niet. Dertig meter. De zon is helemaal terug en de plage ligt vol. Zwemmen. Nu eens geen chloor en geen baignade interdite, gewoon normaal zwemmen, zover als je wilt. Ik heb me er al enige dagen op verheugd. In de verte de witte vlekjes van La Grande-Motte. Een groot vliegtuig ronkt in glijvlucht naar Aéroport de Montpellier. Het moet hier wel een dagje uit te houden zijn.
  Eerst de stranddouche op de veranda - daarna pas de echte douche. Zo is het mij door monsieur Patizel uitgelegd. Eten in Dauphine. Menu voor 49 franc, inclusief water. Op het terras onder de druivestruiken. Bediening door monsieur Patizel et son équipe. De équipe bestaat uit louter aardige mensen. Een clubje levensgenieters. Ze zijn niet uit hun goede humeur te brengen. Wie geeft er om hotelsterren als je zulke mensen om je heen hebt?
  Bij het vallen van de avond neem ik een kijkje bij het kanaal en nog steeds loopt daar het jaagpad. Een geel zandpad is het hier. Een consequent stukje werk. Achter het kanaal ligt het meer en daarachter glinsteren de lichtjes van Montpellier. Een vlucht flamingo's klapwiekt laag over het meer. Die moeten vanavond nog ergens naar toe. Een lange sliert van eenentwintig flamingo's. Vredig tafereeltje. Een knipperlichtje in de lucht - een vliegtuig stijgt op van de Aéroport. Met mensen die vanavond ook nog ergens naar toe moeten.
Op het lunapark van Carnon draait het verlichte reuzenrad haar rondjes. Vanuit de verte lijkt het wel aardig. Ik stap op en loop terug naar zee. Ik ga aan het strand zitten en steek een sigaar op. Sfeervolle avond. Lichtjes langs de kust, kwajongens stoken een vuurtje op het strand, een verliefd stelletje slentert hand in hand langs de branding en de bewoners van de appartementen zitten op hun veranda aan de maaltijd. Ze hebben de zonsondergang afgewacht.
  Het is al weer vroeger donker. Negen uur. De zomer is op zijn retour. Over een maand begint de herfst. Ik denk terug aan de afgelopen tijd. Het was een mooie zomer. Het was een mooie lange hete zomer. Parijs lijkt een jaar geleden. Groningen ben ik zowat vergeten. Ik stuur er nog wel eens een kaart naar toe, maar het heeft opgehouden te bestaan.
Heb ik zin om naar huis te gaan? Nee, eigenlijk niet. Er loopt een Canal du Midi van Béziers naar de Garonne en Bordeaux. Daar heb ik onlangs nog goede verhalen over gelezen. Schaduwrijke jaagpaden en zo. En er loopt ook een route naar Santiago de Compostela. Spanje. Alles kan. Mijn geld is nog niet op. Aan de andere kant... 't Is mooi geweest. Groningen-Montpellier, langs kanalen en rivieren. Het is een afgerond geheel. Je moet ook weten te stoppen.