Aigues-Mortes
 
Monsieur Peyrol leest de krant. Hij vouwt hem op als hij mij de eetzaal ziet binnenkomen. Ik ben de eerste.
- Le petit déjeuner?
- Oui.
- Avec?
- Du thé.

Hij laat de krant op mijn tafeltje achter en trekt zich terug in de keuken. Half acht. Helderblauwe lucht. In tijden niet zo goed geslapen. De hôtelier leegt zijn plateautje en stalt de etenswaren voor me uit. Ik geef hem de krant terug en hij neemt zijn oude plek weer in.
- Question.
- Oui?

Ik vertel hem dat ze me gewaarschuwd hebben voor stieren op het jaagpad. Weet hij daar iets van? Nee. Hij heeft er nooit één gezien en hij fietst toch regelmatig over het jaagpad naar Gallician. Een geruststellend bericht. Zelf had ik al bedacht dat ik bij nadering van een stier altijd nog in het kanaal kon springen.
Het kanaal vertoont ten zuiden van St-Gilles een knik om een heuvel te ronden. Daarom volg ik 's morgens een andere route: de GR653 - ook bekend als Chemin d'Arles. Een weggetje door de wijngaarden. Daarna gaat de GR de heuvels in en ik neem de N572.
Een paar kilometer Route Nationale - dat moet kunnen op de vroege ochtend. Maar ik heb buiten de rijstijl van de inlanders gerekend. Die is moorddadig. Gewoontegetrouw loop ik links van de weg. Ter hoogte van St-André komt een langzaam rijdende legertruck me achterop. Achter de truck zitten de ongeduldige weggebruikers - luid claxonnerend natuurlijk. De eerste auto haalt de truck in, juist als deze mij voorbij gaat. Ik hoor de auto achter me en doe veiligheidshalve een stapje opzij in de berm. Het is mijn redding. De auto zoeft op nauwelijks tien centimeter voorbij. Er zitten vier jongens in. Dit was poging tot doodslag. Zonder dat stapje opzij hadden ze me genadeloos omver gereden.

Ik vier de voorlopige voortzetting van dit aardse bestaan met een kop koffie tussen de meloenen en strengen knoflook. Het is zo'n verzameling barakken langs de weg waar ze regionale eetwaren aan de man brengen. Ze hebben de boel net schoon gespoten. Het generatortje gonst om alle drankjes koel te houden. De hele familie is aan het werk. De vrouw behandelt me afstandelijk, alsof ze een lastige zwerver te woord staat. 't Gebeurt vaker. En altijd klaren de gezichten op als ik m'n portemonnaie tevoorschijn haal. Ik koop een blikje Gini voor onderweg en vervolg mijn weg langs de Route Nationale als een gewaarschuwd man.
Nog geen honderd meter verderop ligt een dooie hond in de berm. Tja, wat wil je, als een mensenleven hier al niet telt. De Camargue is een ruig gebied waar een roekeloos volkje woont. Mensen spelen met hun eigen leven en dat van anderen. De Camargue is één van de drie gebieden in Frankrijk waar de zon meer dan drieduizend uur per jaar schijnt. Misschien heeft dat er iets mee te maken. En dan die eeuwige mistral, waar je ook gek van schijnt te kunnen worden.
  Een wit Pools busje met pech op de weg. Niet langs de weg - op de weg. Geen waarschuwingsbord, geen knipperlichten en alle portieren open. Twee mannen kijken onder de motorkap. Twee vrouwen lopen het veld in om druiventrossen te stelen. Een onnozel gezelschap. Ik loop door. Ik lees morgen wel in de krant wat er is misgegaan.
  Weg van de snelweg. Franquevau - aucune ressource. Had ik ook niet verwacht. Wel een kerkje trouwens. Van hieruit loopt volgens de kaart een pad naar Gallician. Het pad is inmiddels geasfalteerd. Mooi weggetje tussen de druivestruiken, alleen geen schaduw. In het landschap zie je van die eenzame naaldbomen. Een kale kromme stam en daarboven een onwaarschijnlijk groene kruin. Parasoldennen heten ze.
Een Mas met een fraaie toegangspoort: twee langzaam aflopende muurtjes en een degelijk ijzerwerk ertussen. Maar de rest van de omheining ontbreekt. Je kunt gewoon om de toegangspoort heen lopen en dan ben je binnen.
Pauze op een steen. Ik sla de Gini achterover. Een zijweggetje voert naar een omheining waarbinnen paarden lopen. Er leunen mannen tegen het houtwerk. Paardehandelaren. Er wonen veel zigeuners in de Camargue. Gitans heten ze in het Frans en ze handelen graag in paarden. Gitanes zijn zigeunerinnen. De Fransen hebben hun beroemde bruine sigaretten ernaar genoemd.


 
 
De vrouwen hebben geen ongelijk als zij zich niet willen aanpassen aan de voorschriften die op de wereld zijn ingesteld; de mannen hebben ze immers opgesteld zonder de vrouwen er in te kennen.
-Essais
Montaigne
Half twaalf - Gallician. 't Is een gehucht, maar er staat een restaurantje. Kijk in Hannibal's Footsteps en je ziet Bernard Levin hier op de veranda zitten. Hij begon zijn tocht in Aigues-Mortes en de eerste etappe eindigde in St-Gilles. Hoe komen al die foto's in het boek waar hij zelf op staat? Zo vraag je je al lezende af en dan ontdek je op de laatste pagina dat er een filmploeg achter hem aan reed. Ontnuchterend.
Sandwich pâté. Meer pâté dan sandwich. Ik vang flarden op van een gesprek bij de tap. Een welbespraakte jongedame betoogt dat vrouwen in Zuid-Frankrijk weinig hebben in te brengen. Ze lardeert haar betoog met diverse voorbeelden. De man met wie ze binnen kwam kent het verhaal. De barman sputtert eerst nog wat, maar kan niet op tegen het overtuigende bewijsmateriaal.
- C'est vrai, beaamt hij. C'est vrai.
Natuurlijk is het waar. Hoe zuidelijker je in Europa komt, hoe minder vrouwen te vertellen hebben. En daar heeft de katholieke kerk alles mee te maken. Dat is al tweeduizend jaar een mannenwereld. Vrouwen kunnen non worden, maar verder dan moederoverste schoppen ze het niet. Priesters, bisschoppen, kardinalen, pausen - het zijn allemaal mannen.
  Ik bestel nog een thee. Ik heb geen haast. Er wacht een lange wandeling langs het kanaal in de brandende zon. Geen ressources onderweg. Ik vraag de eigenaar of het jaagpad tot Aigues-Mortes doorloopt. Ik heb het al eerder aan mensen gevraagd, maar hier in Gallician zitten ze er het dichtst bij. Je weet maar nooit. Ik heb geen zin om midden in de moerassen te blijven steken.
- Oui, oui. Mais il faut prendre la rive nord.
- Merci.

Om half één begint de tocht. Het haventje van Gallician met een Office du Tourisme. Die sla ik over, bij wijze van uitzondering. Ik weet genoeg. Links ligt het Marais du Charnier, rechts weilanden. Naast het kanaal een eindeloos geel zandpad. Vergezichten over een vlakte met struikgewas, helderblauwe lucht met één ster, zinderende hitte, volstrekte rust, alleen vogelgeluiden.
Het plezierjacht Reiger haalt me in. Ik groet in het Nederlands en krijg een Duits antwoord terug. Is Reiger ook Duits? L'héron heet de vogel in het Frans.
Kwart over één. De brug van de D104 - een onverharde weg die nergens heen gaat. En dan het langste zandpad dat ik ooit heb gezien, met aan het eind een stipje: Tour de Constance. Dat is Aigues-Mortes. Pauze. Ik doe Tai Ji in de zon, maar stop subiet als ik geplas en geplons achter me in het struikgewas hoor. Rugzak om - verder. Ik heb niet onderzocht wat het was. Het klonk groot, log en onverschillig. Het klonk als een nijlpaard of als een olifant. Ik denk dat het een stier was.

Stieren
In de Camargue lopen zo'n dertig kuddes rond (Manade is het Provençaalse woord) met in totaal meer dan vijfduizend beesten. Uit de kuddes ontsnapt wel eens een taureau die dan verder op eigen gelegenheid ronddwaalt. Eigenaars doen geen moeite deze solitairs terug te krijgen. Dit zijn de stieren die je op een jaagpad zou kunnen tegenkomen.
Ze hebben eerst een dijk van zand opgeworpen en daarin het kanaal aangelegd. Je loopt een paar meter boven de omgeving. Aan weerszijden van het kanaal struikgewas met doorkijkjes. Ik zie de witte Camargue-paarden grazen. De veulens van dit paarderas zijn trouwens donker gekleurd. Na een jaar krijgen ze het brandmerk van de Mas. Er vliegen grote witte vogels rond die merkwaardig genoeg bovenop de paarden neerstrijken. Het lijken flamingo's. Ik wist niet dat die twee zo intiem waren. Stieren zie ik ook, maar ze zijn ver weg.
Er gebeurt niet veel. De Reiger ligt aan de overkant in de schaduw van een boom, de bemanning ook. Siësta. Heel verstandig. Verder ontmoet ik in een uur tijd een visser, een fietser en een Mercedes. Toch nog drukker dan ik dacht.



 
Vier kilometer ten noorden van Aigues-Mortes staat een eenzame toren. Het is de Tour Carbonnière - een oude uitkijkpost uit de tijd dat je de stad slechts over één weg door de moerassen kon bereiken.
Het Canal du Rhône à Sète liep eerst over Aigues-Mortes, maar ze hebben een paar jaar geleden een stukje afgesneden en als je haast hebt, kun je nu ter hoogte van de Tour Carbonnière rechtsaf. Ik heb geen haast, maar moet mee tot de eerste brug. Na de brug is er eindelijk schaduw.
De D46 met een verkeersbord: Aigues-Mortes 2 km, Grau-du-Roi 10 km. Nog maar tien kilometer naar de Middellandse Zee! Nog twee uurtjes lopen, dan ben ik er. Het geeft een goed gevoel. Ik zou het vandaag nog kunnen halen, maar ik doe het niet. Alles op zijn tijd. Met laatste stukjes moet je altijd voorzichtig zijn. Morgen komt het glorieuze moment.
  Aigues-Mortes is een ommuurd stadje. Zeer toeristisch. De Tour de Constance is uitgegroeid tot een volwassen vestingwerk. Ik loop tussen drommen toeristen de stadspoort binnen. Binnen de stadsmuren is het autovrij. Het Bureau du Tourisme bevindt zich half in de stadsmuur. Drie medewerksters staan er en ze hebben het druk. Eén van de drie vraagt aan een Franse vrouw of ze Frans spreekt.
- Mais oui. Bien sûr. Je suis Française.
En dan blijkt dat de medewerkster zelf een Italiaanse is die hier stage loopt. Handig. Ook aan mij vraagt ze of ik geen andere taal spreek. Frans is niet haar sterkste punt.
- Hollandais peut-être?
- Ah non.
- Nous sommes en France. Donc il faut parler Français.
- D'accord.

We zijn snel klaar. Een lijstje met hotels, een plattegrond en een beetje toeristische informatie. Meer heb ik niet nodig. Als toegift doet ze er een chambre d'hôte bij.
  Nu eerst iets drinken. Terras tegenover de stadspoort.
- Un demi s'il vous plaît.
- On ne sert pas des boissons alcoolisées.
- Et ça? ...
vraag ik, wijzend naar het tafeltje van mijn buurman.
- Seulement avec un repas.
Krijg je dat. Alleen alcoholica als je er een maaltijd bijneemt.
- Monsieur. Je suis à pied.
En ik wijs op mijn rugzak. Het gevaar dat ik iemand overhoop rij is minimaal. De man is niet te vermurwen.
- Ces sont les règles.
Je moet een Fransman niet aan zijn regeltjes komen. Ik loop de Grand'Rue in en zoek een terras waar ze ruimdenkender zijn.
  Niet ver buiten de poort liggen verscheidene hotels. Hôtel de la Tour. Kamer van 240 franc inclusief ontbijt. Nog niet eerder meegemaakt - inclusief ontbijt bedoel ik. Eén ster hebben ze. Hoe ze er aan komen mag Joost weten. De eigenaar:
- Vous avez une bicyclette?
- Non, j'ai deux pieds.

Zelfde misverstand. Alsof ik met zo'n rugzak op de fiets zou zitten. Toch vindt een Fransman dat altijd nog waarschijnlijker dan lopen. De man gaat me voor naar een bijgebouw met de kamers. Het is er allemaal. Alleen erg ongezellig.
- Votre hôtel n'est pas sur le liste du Bureau de Tourisme.
- Non?

Ik laat hem het lijstje zien. Hij wist het niet.
- Curieux.
- C'est peut-être un hôtel neuf?
- Ah non. L'hôtel existe déjà vingt-cinq ans.

Het maakt hem niet veel uit. Het toeristenaanbod is zo groot dat hij nooit gemerkt heeft dat ze niet naar hem verwijzen.
 
 
 
 
 
 
Tour de Constance
De toren diende in later eeuwen als gevangenis, vooral om Camisards in op te sluiten. Dat waren protestanten uit de Cevennen. Eén van hen, Marie Durand heette ze, heeft 38 jaar in de toren opgesloten gezeten. Ze kwam er in toen ze acht jaar oud was.
Saint Louis. Lodewijk de Heilige. We zijn hem al eerder in Parijs tegen gekomen. Geboren op 25 april 1214 te Poissy. Als twaalfjarige jongen besteeg hij de troon onder regentschap van zijn moeder. Aigues-Mortes werd door Louis IX gebouwd als uitvalsbasis voor de zevende kruistocht. Het ontbrak hem aan een Middellandse Zee haven om zijn leger in te schepen. De route over land was minder aantrekkelijk geworden want de eerste kruisvaarders hadden zich onderweg niet geliefd gemaakt.
Louis kocht het gebied in 1240 van monniken die er met zoutwinning een schamel bestaan hadden opgebouwd. Het was een ongezonde plek met veel muggen. Om te beginnen liet de koning er de veertig meter hoge Tour de Constance bouwen. Een ronde toren met muren van zes meter dik.
  Vervolgens liet hij een kanaal naar zee gegraven: Le Grau-du-Roi, het kanaal van de koning. Kolonisten werden hier naar toe gelokt met belastingvrijstelling en handelsvoordelen. Op 28 augustus 1248 vertrok de koning naar Egypte met vijftienhonderd schepen en een leger van vijftienduizend man. Een andere bron maakt er vijfendertig duizend van. Ze zetten eerst koers naar Cyprus waar andere kruisvaarders hen opwachtten. De hele onderneming liep op niets uit. De kruisvaarders werden verslagen en gevangen genomen in Damietta. Het kostte de Fransen een fortuin om hun koning terug te krijgen. Niettemin vertrok Louis IX in 1270 opnieuw vanuit Aigues-Mortes. Hij zeilde naar Tunis, belegerde de stad en stierf er in hetzelfde jaar aan de pest. Op 26 augustus, de naamdag van de heilige, is het feest in Aigues-Mortes. Dat is over drie dagen.

Aigues-Mortes betekent: dood water. Geen fraaie naam voor een stad. Er zijn pogingen geweest om de naam te veranderen, maar die zijn op niets uitgelopen. Aigues-Vives bestaat ook. Dat ligt twintig kilometer noordelijker. Ik lees dat Aigues-Mortes tot in het midden van de 14e eeuw vijftienduizend inwoners telde en vraag me af waar die allemaal waren ondergebracht. Het stadje heeft er nu 4500 en binnen de stadsmuren (een rechthoek van 550 bij 300 meter) is voor deze mensen geen plek genoeg. Ze hebben de stad heel symmetrisch opgezet: vijf noordzuid straten en vijf oostwest. De Grand'Rue leidt naar de Place Saint-Louis.
Ik ga er op een muurtje zitten met een blikje fris. Het is te duur om mijn dorst op een terras te lessen. Een aardig pleintje met in het midden het standbeeld van de koning te paard, talrijke terrasjes en veel vertier. Muziek, portrettekenen, pantomime. Saint Louis wordt belaagd door kinderen die zijn sokkel proberen te beklimmen.
  Menu Touristique voor zestig franc bij een drukke Italiaan.
- Vous avez reservé?
- Non.
- Pas de problème.

Ingewikkelde bediening. Ze hebben een taakverdeling bedacht. Ieder personeelslid heeft beperkte bevoegdheden. De patron zelf staat als een rots in de branding tussen de aanstormende toeristen. Een joviale gastheer op blote voeten. Tevens dirigent. Feilloos oog voor oneffenheden en zeer bedreven in het gladstrijken ervan. Er loopt iemand rond die niets anders doet dan tafeltjes afruimen. Een ander neemt alleen maar bestellingen op. Een derde verzorgt de drankjes. Vrouw van de baas zit aan een tafel waar ze op briefjes per tafel het genuttigde bijhoudt en nota's produceert. Oma zit bij de telefoon - afdeling reserveringen. Het zaakje loopt gesmeerd. Alleen enigszins verwarrend, al die verschillende mensen aan je tafel. Je leert ze niet echt kennen zo.
Demi-Vittels hebben ze niet. Alleen kwart liters en dan met de prijs die in de tarieflijst bij de halve liters staat. Bovendien serveren ze de flesjes met de dop open. Ik vermoed dat er ergens achteraf ook nog een personeelslid flesjes Vittel staat te vullen met kraanwater.